Onderzoek naar geulen
Ons beeld van de Neanderthalers in Nederland bestaat voor het overgrote deel uit steen. Neanderthalers bewerkten vuursteen en andere steensoorten tot werktuigen. Vondsten zoals de bekende vuistbijlen, maar ook afslagen die bij het maken van werktuigen ontstonden, vormen daarom onze belangrijkste bron van informatie over hoe Neanderthalers hier leefden.
Maar Neanderthalers moeten veel meer hebben achtergelaten dan alleen steen. Denk aan de houten schacht van een speer, botten en ander slachtafval of resten van voedsel. Ook veel kleinere sporen kunnen informatie bevatten: pollen, zaden en andere plantenresten en tegenwoordig soms zelfs DNA dat rechtstreeks uit oude sedimenten kan worden gehaald. Zulke resten kunnen ons iets vertellen over het landschap, het klimaat, de dieren en planten waarmee Neanderthalers leefden – en mogelijk over de Neanderthalers zelf.
Het probleem is dat organisch materiaal veel kwetsbaarder is dan steen. Hout, bot en plantenresten vergaan onder normale omstandigheden vaak volledig. De beste kansen om ze na tienduizenden jaren nog terug te vinden liggen daarom op plaatsen die snel werden afgedekt en langdurig nat bleven, bijvoorbeeld in vennen, beekdalen en oude geulen.
Juist daarom zijn de laagtes op De Akker zo interessant. Uit booronderzoek bleek dat tussen de hoger gelegen delen met vuursteenvondsten oude, inmiddels volledig opgevulde dwarsdalen en geulen liggen. Op sommige plaatsen bevinden zich daarin metersdikke pakketten beekafzettingen en leem. In die leem zijn zelfs nog humus, plantenresten en stukjes hout herkend. Tijdens een gericht booronderzoek in 2025 zijn deze oude dalen verder in kaart gebracht en zijn monsters verzameld voor botanisch en pollenonderzoek.
Dat dit kansrijk is, weten we ook uit eerder onderzoek. In het naastgelegen beekdal van het Oostervoortsche Diep werd op ruim drie meter diepte een dunne veenlaag gevonden die ongeveer 50.000 jaar oud is – ongeveer dezelfde periode waarin de Neanderthalers hun vuurstenen werktuigen op De Akker achterlieten. Dat betekent dat hier afzettingen bewaard zijn gebleven die daadwerkelijk uit de tijd van de Neanderthalers kunnen stammen.
Met pollenonderzoek proberen we nu te achterhalen of in de oude geulafzettingen nog stuifmeelkorrels bewaard zijn gebleven. Pollen zijn microscopisch klein, maar kunnen na tienduizenden jaren nog vertellen welke planten in de omgeving groeiden. Zo kunnen we stukje bij beetje reconstrueren hoe het landschap van Peest eruitzag toen Neanderthalers hier rondliepen. En wie weet bewaren deze oude, natte afzettingen nog andere sporen die ons uiteindelijk méér over hun leven kunnen vertellen dan steen alleen.